In de rubriek kweekverslagen kunt u zowel kweekverslagen als vogelbeschrijvingen aantreffen.

 


 

 

Parel Astrilde.

Ik liep op de bondsshow in Breda een bekende uit Utrecht tegen het lijf, en deze vertelde dat hij Parel Astrildes had. Ja, nu vragen jullie je allemaal af wat is dit voor vogel.

Deze vogels zijn nauw verwant aan de Rode druppel astrilde, alleen zeer zeldzaam.

Hiermee is nog nooit gekweekt in volières.

Ze komen uit Zuidoost Afrika en leven daar in bosrijke gebieden.

 

Kenmerk man: Roodbruin bovenzijde. Kop, hals, borst en bovenstaart is mat rood en de onderzijde zwart met op de flanken roze witte stippen.

 

Kenmerk pop:

Het popje is grauwbruin en heeft tevens de roze en witte stippen op de flanken

 

De snavels van beiden vogels zijn blauwgrijs. En de lengte is ongeveer 12,5 cm.

 

Ze leven het meest in het lage struikgewas en op de grond. Daar maken ze ook hun nesten.

Op de grond zoeken ze naar zaden en insecten. Als ze jongen hebben dan moet er veel levend voer

aanwezig zijn. Ook deze vogels zullen in de toekomst op verschillende tentoonstellingen te zien zijn, is de verwachting. Maar dan zal er eerst mee gekweekt moeten worden.

Zelfs ik kon deze vogels kopen, maar ja het geld groeit mij nog niet op de rug, want met 1 koppel begin je nog nergens mee.

 

J.T.M. Gielen.

 

 


 

 

De Lazulivink.

 

Herkom               Herkomst: Westelijk deel van Amerika en Mexico, waar dichte struik en boom groepen voorkomen.

Kenmerk: De man heeft een helderblauwe kop, hals, borstzijden, onderrug en stuit.

De teugels zijn grijsblauw.

Het voorste deel van de rug en de schouders zijn zwartachtig blauw.

Bovenborst is bruin, en de verdere onderdelen wit. Het oog is bruin, snavel en poten zijn zwartachtig bruin.

De lengte van deze vogel is 12 cm.

Het popje heeft roomwitte teugels, vleugelranden en oogleden. Bovendelen bruingrijs, bovenkop blauwbewaasd, oorstreek liohtbruin, voorzijde van de hals en borst zijn geelachtig bruin, de rest van de onderdelen is wit. De Lazulivink is nauw verwant aan de Indigovink, ook in hun gedrag komen ze met elkaar overeen. Nestelen doen ze in lage struiken. Het nest is komvormig en gemaakt van grashalmen. Bladeren en schorsdelen en bekleed met plantenvezels en haar. Ze leggen 3 tot 5 eitjes die lichtblauwachtig wit van kleur zijn. De eitjes worden in 13 dagen door het vrouwtje uitgebroed.

De jongen verlaten na 12 dagen het nest en zijn na 3 weken zelfstandig. Het zijn mooie vogels die in en ruime goed beplante volière goed tot hun recht komen. Helaas komen van deze vogels zo goed als geen import vogels meer binnen. In de volières kan men ze het beste een goed kanarie mengsel geven met wat negerzaad en gierst. Verder eivoer en levend voer zoals meelwormen en miereneitjes. Men kan ze ook fruit geven zoals appel en sinasappel. Dit soort zijn goede zangers die een aardig deuntje kunnen fluiten. Toch is het te hopen dat er nog liefhebbers zijn die deze vogels houden, want het zou jammer zijn als ze hier helemaal verdwijnen zouden.

 

J.T.M. Gielen.

 


 

 

De Forpus dwergpegaaien.

 

 

Indeling.

 

We onderscheiden 7 soorten Forpussen ( ook wel Sperlingpapegaaien genoemd ), te weten:

 

Forpus cyanapygius, met twee ondersoorten, de pallidus en de insularis. In Nederland staan zij bekend als de Mexicaanse dwergpapegaai.

Forpus passerinus , met 4 ondersoorten, de viridissimus, de cyanophanes, de cyanochlorus en de deliciosus. In Nederland bekend als de Groenstuit dwergpapegaai.

Forpus sclateri , met 1 ondersoort, de eidos. In Nederland zijn deze vogels niet aanwezig,

Forpus conspicillatus, met 2  ondersoorten, de metae en de caucae. In Nederland bekend als de Oogring dwergpapegaai.

Forpus xanthopterygius, met 5 ondersoorten, de flavissimus, de olallae, de crasiristris, de spengeli en de flavescens. In Nederland bekend als de Blauwvleugel dwergpapegaai en de flavissimus als de Cerea dwergpapegaai.

Forpus coelestis,  heeft geen ondersoorten. In Nederland bekend als de Grijsrug dwergpape­gaai .

Forpus xanthops; eveneens geen ondersoorten. In Nederland bekend als de Geelmasker of Geelwang.­muspapegaai.

 

Herkenning.

 

De meeste problemen geeft het herkennen van de diverse soorten.

Het verschil tussen mannen en poppen is heel duidelijk, uitgezonderd de groenstuit hebben zij

meer of minder blauw in de vleugels en op de stuit.

Dit in aanmerking genomen valt de verzuohting van vele bezoekers, 'ze lijken allemaal op elkaar', wel mee. Bij het determineren gaan we uit van de mannen. De poppen, en zeker die van de ondersoorten zijn heel wat moeilijker te determineren. Wij zullen de soorten stuk voor stuk langs gaan.

 

De Oogring dwergpapegaai.

 

Deze vogel heeft een lengte van 12 cm.

In vergelijking met de andere soorten is er geen probleem, zij zijn de enige soort met een oogring. Ook de pop heeft een oogring, zij het dat deze smaller is en niet blauw maar emeraldgroen.

Zij hebben een hoornkleurige snavel.

De mannen van de ondersoorten hebben in plaats van een oogring een klein streepje achter het oog.

Het zijn bijzonder vertrouwelijke vogels, die snel tam zijn, goed broeden en goede ouders zijn.

Een klein minpuntje) is dat de mannen dikwijls erg agressief tegen hun poppen zijn als zij een legsel groot gebracht hebben. Zij willen hun poppen met alle geweld weer in het broedblok hebben, dit resulteert dan in een afgebeten nagel of teen.

In het bijzonder kan gezegd worden dat het bijzonder plezierige vogels zijn om te houden.

 

De Mexicaanse dwergpapegaai.

 

 

Deze vogel heeft een lengte van 13 cm. De nominaatvorm heeft een turquoise blauwe stuit en vleugels. De enige die hierop lijkt is de xanthop­terygius spengeli, die ook een lichtblauwe stuit en vleugels heeft, maar kleiner is en meer geel­achtig groen.

In Nederland kennen we de ondersoort in sularis) die duidelijk verschilt van de nominaatvorm. Hij

is namelijk veel kleiner en heeft donkerblauw in de stuit en vleugels.

Bij de nominaatvorm en de ondersoorten is de snavel grijs.

 

De Mexicaanse dwergpapegaai  is een uiterst zeldzame vogel. Sinds 1980 heeft geen import meer plaats gevonden en dat zal waarschijnlijk wel zo blijven.

Het zijn vrij rustige vogels, die niet snel in paniek raken. Schrikken zij echter dan vliegen zij ook als gekken door de kooi.

De hier bekende ondersoort insularis broed wat makkelijker, maar ook hier kan het enige jaren duren voor zij beginnen. Zij broeden ook wat later in het jaar, in de maanden juli-augustus.

 

 

 

De Groenstuit dwergpapegaai.

 

De lengte van deze vogel bedraagt 11 cm. De ondersoort viridissimus is iets groter en forser. Dit valt goed op als je de ondersoorten bij elkaar ziet. Alle soorten hebben een hoornkleurige snavel.

Deze soort is eenvoudig te herkennen aan de, zoals de naam aangeeft, groene stuit.

Er kan wel eens een blauwe waas in zitten, maar deze is meestal erg onregelmatig. Het is erg moeilijk om de verschillende ondersoorten uit elkaar te houden, ook al omdat er al jaren, behalve uit Guyana, geen importen meer hebben plaats gevonden. In het begin van de jaren 80 waren deze vogels vrij zeldzaam en men was al blij als men een paartje van deze vogels kon kopen, laat. staan op de minimale verschillen te letten. Het zijn en blijven vrij schuwe en angstige vogels, die ook zowel import als eigen kweek dikwijls onaangenaam schuw blijven. Dit heeft overigens op het broeden geen invloed, dat gaat over het algemeen vrij goed met grote legsels.

De mannen willen nog weleens agressief zijn tegen hun zoons als zij uitgevlogen zijn.

 

De Grijsrug dwergpapegaai.

 

Deze vogels hebben een lengte van 12,5 cm. Ook deze soort geeft bij vergelijking met de andere soorten weinig problemen. De vogels zijn herkenbaar aan de grijze rug en de blauwe streepjes boven acht8r het oog, dit komt bij geen van de andere soorten voor. Deze vogels hebben een hoornkleurige snavel. In Nederland komen alleen hier gekweekte vogels voor, import is al jaren niet meer voorhanden. In Duitsland wordt af en toe wat import aangeboden. Het zijn vertrouwelijke vogels die snel tam worden.

Tegenover andere vogels zijn zij vrij agressief en schrikken niet terug om veel grotere vogels aan te pakken. Weken tot maanden geen problemen en dan plotseling doden zij mede-kooi-bewoners en eten ze op (met uitzondering van de kop en vleugels). Over het algemeen zijn het prettige broedvogels, die twee tot drie nesten per jaar groot brengen met dikwijls veel jongen.

 

De Geelmasker dwergpapegaai.

 

Dit soort is 14,5 cm. groot. Ook hij is niet te verwarren met de andere soorten door zijn gele kop en masker en zijn karakteristieke snavel. De snavel is hoornkleurig met een donkerbruine vlek op de bovensnavel. Tot voor een jaar of acht kwam er nog wel eens wat import. Dit waren echter zwakke vogels, die meestal de ontberingen niet overleefden. De vraag werd nu en dan gesteld of deze import wel verantwoord was gezien het grote aantal dode vogels.

Ook hier praten we over prettige en tamme vogels waar je, op een enkele uitzondering nagelaten, veel plezier aan beleeft. De ervaring is dat bij verplaatsing gauw darmstoornissen optreden die vaak fataal kunnen zijn.

Het broeden is zeer wisselvallig, er wordt redelijk mee gekweekt maar de vraag overtreft nog vele malen het aanbod. Ook deze vogels zijn goede ouders) waarbij zelden iets fout gaat.

 

De Blauwvleugel dwergpapegaai.

 

Dit soort is 12 cm. groot. De ondersoort flavissimus, die in redelijke aantallen in ons land aanwezig is, is wel de mooiste met zijn citroengele gezicht.

Van de flavescens zijn maar een paar stellen in Nederland aanwezig, zij vallen op door een afwijkende kleur groen (appelgroen).

De nominaat is het meeste bij de kwekers aan te treffen.

De flavisimus is een vogel met een mooi citroengeel gezicht, maar er zijn in Nederland erg veel kruisingen aanwezig zodat het aankopen van deze vogels uitkijken vereist. Veel vogels hebben een te fletse kleur geel en ook is de kleur niet uitgebreid genoeg. Sinds er met deze vogels gekweekt wordt worden er veel meer poppen dan mannen geboren. Zij gaan toch grif van de hand zodat aangenomen kan worden dat er een andere ondersoort van de Blauwvleugel tegen gezet wordt. Over het algemeen zijn de Blauwvleugels onaangename schuwe vogels, die ook na jaren zowel import als eigen kweek erg schuw blijven. Dit mondt onder andere uit in een wild door de kooi vliegen bij bijvoorbeeld het voederen.

Het zijn ondanks hun schuwheid toch betrouwbare broedvogels, die vrij gemakkelijk broeden en hun jongen keurig grootbrengen.

 

De huisvesting.

 

Dit komt er niet zo op aan. Hiermee bedoel ik dan de maten van de kooi of volière. Er zijn prima resultaten in kooien van 60 x 60 cm. en zelfs van 30 x 40 cm. of in volières van 4 tot 5 meter.

In al te grote volières voelen zij zich toch wat verloren.

Met koloniebroed is weinig ervaring. In de Amerikaanse Forpusclub heeft een liefhebber wel in kolonieverband gebroed. Hij hield verschillende koppels Blauwvleugels in een volière van ongeveer 3,5 meter. Dit ging heel goed, en het opmerkelijke was dat zij een groepsgedrag ten toon spreiden. Wanneer er echte of vermeende vijanden werden gesignaleerd gingen zij hier als groep op af.

 

Voeding.

 

Een mengsel van zaden voor grote parkieten met af en toe wat trosgierst. Daarnaast elke twee dagen eivoer, vermengd met universeelvoer, gekiemd zaad (katjang idoe, haver, zonnepitten en boekweit). Wanneer er jongen zijn krijgen zij dit elke dag en worden er nog rozebottels, zeewier, verse onkruidzaden, lijsterbessen, diverse koolsoorten, stukjes appel, maiskolf en wortel door heen gemengd.

Zitten de vogels apart in de broedkooi eten zij hiervan erg weinig. Zodra zij met meerdere vogels bij elkaar zitten wordt duidelijk de consumptie aan bovengenoemde zaken verhoogd. Ook hier geldt dus, zien eten, doet eten.

Daarnaast dienen vanzelfsprekend grit, kiezel, eischalen en sepia ter beschikking te staan.

 J.T.M. Gielen.

 


 

 

 

De Edelzanger.

 

Herkomst: Noordwest en Noordoost Afrika.

 

Kenmerken: Bovendelen grijsachtig bruin, kop lichtgrijs, in het midden wit.

Het oog is bruin. De snavel en poten zijn vleeskleurig. De lengte is 10 cm.

Het popje gelijkt op het mannetje.

 

In de natuur komen ze in de buurt van water voor, bij struiken en bomen, en ook zelfs in droge woestijnachtige streken.

Het is een goede zanger, die geregeld zijn melodie ten gehore brengt.

Zorg er voor dat men geen soortgenoten in een zelfde ruimte plaatst, ook geen mozambique sijs, want dan maken ze elkaar af.

Ook kan men met deze vogels wel kweken. Het popje maakt een komvormig nest, hierin worden 3 tot 4 eitjes gelegd.

Het popje broed alleen, de man zal wel meehelpen de jongen te voeren.

De broedtijd duurt ± 13 dagen. Geef de vogels een goed tropisch zaad mengsel met wat negerzaad en kanariezaad erin.

Daarnaast wat eivoer en eventueel wat groenvoer. Ook zullen deze vogels proberen wat kleine vliegjes te vangen, als ze jongen hebben.

Het is geen dure vogel, zodat iemand die niet zoveel geld wil ( of kan) besteden aan vogels, een leuk vogeltje kan aanschaffen met een aardig melodietje.

 

J.T.M. Gielen.

 

 


 

 

 

Brilvogels.

 

Deze vogels komen in + 60 soorten voor. Ze komen uit Afrika, Azië en Australië. De grootte varieert van 10 tot 15 cm.

Een van de bekendste soorten is de Ganges brilvogel.

Kenmerk van deze vogel:

Bovendelen olijfkleurig grijsgroen.

Keel en middelste gedeelte van de borst zijn geel. De onderdelen zijn grijsachtig. Rondom het oog is een duidelijke witte oogring.

De snavel is lichtgebogen, slank en zwart van kleur.

De slagpennen en staart zijn zwartachtig.

Het oog is geelachtig grijs. De poten donker grijs. Het vrouwtje is matter van kleur.

 

Nog enkele andere soorten zijn:

 

De Japanse Brilvogel; deze is 11 cm. en onder­scheidt zich door een citroen gele kin, keel en onderstaartdekveren, terwijl de verdere onderdelen bruinachtig isabel kleurig zijn.

 

De Chinese Brilvogel is heldergroen op kop en halszijde en heeft zwarte teugels en zwavelgele onderstaartdekveren, kin en keel.

Deze vogel is 10,5 cm. groot.

 

Nog een soort is de Australische Brilvogel. Bovendelen zijn grijs, evenals de krop en borst. De kin, keel en kopzijden zijn zwavelgeel.

Het midden van de onderdelen is witachtig. De rest is isabel kleurig bruin.

De vleugels en staart geelachtig olijf, de snavel bruin en de poten grijsbruin.

Het zijn populaire, maar geen kleurrijke vogels. Toch kunnen ze erg tam worden.

Ze leven van nectar en een goed universeelvoer, eivoer en als levendvoer buflo- en meelwormen, miereneitjes en kleine insecten.

Fruit mag ook niet op het menu ontbreken.

Het zijn behendige vogels in het vangen van insecten, men kan ze vergelijken met mezen soorten.

Het nest is komvormig en gemaakt van grassen en spin rag, waarin ze ongeveer 3 eitjes leggen. Beide vogels broeden het legsel in + 12 dagen uit. Ze dulden geen soortgenoten in de buurt en andere vogels die te dicht bij hun nest komen worden verjaagd.

Toch is het een vogeltje om eens in een ruime volière uit te proberen want dat verdient deze soort wel.

 

J.T.M. Gielen.

 

 

 


 

 

Cubavinken.

 

Deze vogels komen uit de Zuid-Amerikaanse landen. Men kent 3 soorten nl. : de grote cubavink

de kleine cubavink, de zwartborst cubavink.

Tot mijn grote verbazing zag ik op verschillende vogelmarkten de grote cubavink zitten.

Jaren waren ze niet geïmporteerd en nu zaten er toch verschillende koppels.

Het zijn mooie vogels om te houden, maar niet meer dan een koppel in een ruimte plaatsen, want ze zijn zeer agressief tegen soort genoten.

De grote cubavink komt uit Cuba, Mexico en in de verdere omliggende landen.

Ze komen voor op weide en akkers waar tevens wat boomgroepen of struiken aanwezig zijn.

 

Het mannetje heeft een oranjegele bovenkeel, teugels en wenkbrauwstreep.

Het voorste deel van de bovenkop, de wangen, zijkant van de nek en borst is zwart, de verdere onderdelen zijn grijsachtig olijfkleurig,

Het popje is in het geheel matter van kleur.

De lengte is + 11 cm.

 

De kleine cubavink: De rug van deze vogel is groenachtig. Het voorhoofd, het oog de oorstreek, teugels en keel zijn zwart.

De wenkbrauwstreep, halszijde en kropband zijn goudgeel. De onderdelen zijn grijs en de buik is

witachtig. De snavel en poten zijn grijsachtig. De lengte bedraagt + 10 cm.

Het popje is bruin aan de kop en hals, en wat bruinere onderdelen. De halskleur is bleek geel. Deze vogel komt uit Cuba, ze leven daar in droge steppen.

 

De zwartborst cubavink.

Deze komt uit Columbia en Venezuela.

Ze komen voor langs paden en wegen en zelfs rondom huizen.

Het mannetje heeft een zwarte kop en borst. Voor de rest is hij olijfgroen, de pop is grijsbruin van boven, en van onder wat matter. De lengte is + 10,5 cm.

 

In de volière kan men ze wel samen houden met andere soorten vogels.

Ze maken een komvormig nest, hier leggen ze 3 eitjes in die in 12 dagen worden uitgebroed door

het popje. Meestal brengen ze maar 2 jongen groot.

 

Hun voeding bestaat uit gras- en onkruidzaden, en wat negerzaad.

Soms wat groenvoer en in de broedtijd, mag het levend voer niet ontbreken.

 

J.T.M. Gielen.

 

 


 

 

 

Broedresultaat met de Purpergranaat Astrilde.

 

Men kent 2 soorten, namelijk de gewone granaat en de iets minder bekende purpergranaatastrilde, over deze vogel wil ik iets vertellen van de kweek­resultaten. De Purpergranaat Astrilde komt uit Oostafrika.

Ze leven daar in doornachtige struik gebieden. De lengte van dit vogeltje is 14 cm..Het mannetje is donkerbruin op de rug. Oog omgeving, buik, borst en bovenstaart veren zijn purperachtig blauw,

De snavel is rood, staart en poten zijn zwart. De pop heeft minder en bleker blauw aan de kop en is verder matter van kleur. In de volière leven ze meestal vreedzaam met andere bewoners samen, mits het geen soortgenoten zijn. Voer: goede tropen mengeling en veel levend voer.

 

De huisvesting in mijn volière:

Ik heb één van mijn spannetjes in een vluchtje van 1,40m lengte bij 1,00m breedte en 2,00 meter hoog gezet. Ze delen deze vlucht met een span Aurora Astrilden.

 

Op 1 januari heb ik de nestkastjes opgehangen want ik had al een tijdje in de gaten, dat de vogels aanstalten maakten om ergens te gaan nestelen. Binnen een week hadden ze een nest gemaakt in een halfgesloten nestkastje, ze gebruikten er kokos­vezels en sisaltouw voor. In dezelfde week begon de pop ook al eitjes te leggen. Ze legde 4 eitjes, die in 14 dagen werden uitgebroed. Aan het gedrag van de vogels kon je merken dat er jongen waren, maar hoeveel dat wist ik nog niet. Vaak is het risico te groot om te gaan kijken. Toch vond ik een eitje half open op de grond, met een dood jong erin.

Maar toch moesten er jongen zijn. Want als je eivoer op het zaad deed, en wat buflowormen gaf, zaten ze er direct bij en dit was na een poosje allemaal verdwenen. Toch moest ik na wat dagen gaan kijken of ze geringd konden worden. Het leek mij het beste dit op een zondag te doen. Want na een beetje uitrekenen waren ze dan ongeveer een week oud, maar toen ik keek waren de jongen nog te klein, ( het waren er 2 ). Dus nog maar een paar dagen wachten dacht ik. Maar ik moest net deze week weer een paar dagen overwerken, dus ik dacht, ringen dat moet dan weer een dag langer op zich laten wachten maar ja zoals gewoonlijk was een jong al te groot, de ander heb ik kunnen ringen met 2,5 mm.

De ouders maakte het niks uit toen ik de jongen ringde, ze gingen hierna weer vrolijk verder met voeren.

Nu weer een week later vliegen de jongen net uit. Het zijn twee mooie jongen. De kleur is nog reebruin met een purperachtige blauwe stuit. Ook zijn de ouder vogels weer begonnen met de nestbouw, nu in een kanarie nestkastje.

Ze zitten momenteel weer te broeden. Hoeveel eitjes ze hebben dat weet ik nog niet, maar de 2 jongen zijn nog niet zelfstandig, ze worden nog volop gevoerd door de man.

 

Toch valt het niet mee om met deze soorten natuurbroed te kweken, ik ken er vele die ze onder Japanse meeuwen proberen groot te krijgen, maar daar ben ik geen voorstander van. Toch als men geduld heeft met vogels dan komen er vanzelf resultaten.

Zorg ervoor dat de vogels niet te jong zijn, het beste is nog 2 à 3 jarige vogels.

 

Nu nog vertellen wat ik de vogels zoal voor voer geef.

Alle vogels, ook de andere soorten, krijgen van mij een goed zelfgemaakt eivoer met miereneitjes (diepvries), claus-insectenvoer, wortel en buflowormpjes en af en toe wat meelwormen. Daarnaast een stukje appel en een goede zaadmengeling met echte onkruidzaden er doorheen, en één keer in de week een stengel trosgierst.

 

Ik wens jullie allen veel succes toe met jullie eigen vogels.

 

Hans Gielen.